Leesfragment – De Zielensluiper

1.

 

De Zonnegod stond trots en ongenaakbaar voor zijn hogan, zijn armen over elkaar. Tom voelde dat de priemende ogen dwars door hem heen keken. Hij probeerde het gezicht en de houding van de Zonnegod te lezen, maar het bleef gesloten als een boek. Uit niets bleek dat de Zonnegod er spijt van had dat hij Jay en Tom nog maar zo kort geleden tot zonen had gebombardeerd en nu al weer wegstuurde. Geen spoortje van verwondering over Toms blonde krullen die zo buitengewoon opvielen tussen al die donkere hoofden van de indianen. Nee, corrigeerde hij zichzelf onmiddellijk. Het waren geen indianen. Indianen waren een verzinsel uit lang vervlogen tijden, toen Columbus dacht dat hij India had bereikt. Nee, geen indianen. De Apachen, een buurvolk, noemden ze de Navajo, vijanden van het ontgonnen land. Zelf noemde ze zich Na Diné, Het Volk.

Tom bestudeerde het gezicht van Tsohanoai, de Zonnegod, nogmaals. Kon hij er ook maar de kleinste aanwijzing van af lezen dat de man blij was dat hij Jay en hem eindelijk had ontmoet?

Het gezicht van Tsohanoai bleef strak en uitdrukkingloos. Alleen zijn zwarte ogen schitterden nu. Van plezier? Tom vroeg het zich af, hoopte het eigenlijk. Hij had zo graag nog langer willen blijven. Hij had nog zoveel vragen die beantwoord moesten worden, maar Tsohanoai was onverbiddelijk geweest. Ze moesten gaan. Er werd op hen gewacht.

Tom keerde Shah-bekloth, het paard dat genoemd was naar de bliksemschicht. Zo’n vijftig meter verder naar beneden reden Jay en Yazhi in de richting van de bossen die de noordflank van de berg bedekten. Met een scherpe wending stuurde Yazhi haar paard voorbij wat grote rotsblokken, die als reusachtige puisten uit het landschap omhoog staken. Binnen een tel was ze erachter verdwenen en voor Tom het zich realiseerde was ook Jay weg.

‘Wacht!’ riep hij. ‘Wacht op mij!’ Hij wierp een laatste blik over zijn schouder naar de mensen voor de grote hogan van Tsohanoai en gaf Shah-bekloth de sporen. Als een speer vloog het paard achter Jay en Yazhi aan. Haast als vanzelf stuurde hij Shah-bekloth in een ruime bocht langs de vier kleine donkere rotsblokken die de hogan van Tsohanoai bewaakten. Een rilling trok over zijn rug toen hij zich herinnerde dat de avond dat Jay en hij het dorp van Tsohanoai hadden bereikt, deze zelfde vier rotsblokken in het spaarzame licht van de maan tot leven waren gekomen en veranderden in vier razende beren. Hij realiseerde zich dat hij nog geen fractie had begrepen van de wereld van de Diné.

‘Het geeft niet,’ mompelde hij zacht tegen zichzelf. Zodra ze weer terug zouden zijn in de bewoonde wereld zou hij Yazhi bestoken met al zijn vragen. Het meisje was een wandelende bron van kennis. Ze wist werkelijk alles van de Diné, van de mythen en de legenden, van de gebruiken van de ouden. Zo veel meer dan Jay, die toch ook op het reservaat was opgegroeid,  maar weinig belangstelling voor zijn afkomst leek te hebben gehad. Toch verdacht hij Jay ervan dat hij meer wist dan hij liet blijken.

‘Kom op, Shah-bekloth,’ vuurde hij zijn paard aan. ‘We mogen ze niet kwijtraken.’

Het paard galoppeerde voorbij de hoge rotsen. Nog geen tel later steigerde hij en Tom kon nog net op tijd zijn manen grijpen om zich vast te houden. ‘Rustig! rustig!’ riep hij.

Net voorbij de rotsen stonden Yazhi en Jay. Ze lachten allebei om de moeite die het Tom kostte om op zijn paard te blijven zitten.

‘Hé!’ riep Tom. ‘Kijk uit!’

‘Even je reactievermogen testen,’ grinnikte Jay.

‘Met mijn reactievermogen is niks mis,’ mopperde Tom. ‘En met dat van Shah-bekloth ook niet, trouwens.’

‘Nee,’ beaamde Yazhi. Ze probeerde haar lachen in te houden, maar dat lukte niet helemaal.

‘Wat zit je daar nou te lachen?’ vroeg Tom. Stonden ze hem nu uit te lachen? Dat was lekker. Eerst bezorgden ze hem haast een hartverzakking door vlak voor zijn neus op te duiken en nu stonden ze hem ook nog uit te lachen.

‘Je had je gezicht moeten zien,’ zei Jay. Zijn lach weerkaatste in de bergen.

‘Ik had jouw gezicht wel willen zien als ze je de stuipen op het lijf zouden jagen.’ Tom probeerde de lachende gezichten van Yazhi en Jay te negeren. ‘Waarom staan jullie hier eigenlijk?’

‘We moeten beslissen welke kant we ingaan,’ zei Yazhi.

‘Wat bedoel je? Moeten we niet gewoon naar beneden? Terug naar de bewoonde wereld.’

‘Jawel,’ zei Yazhi, ‘maar we hebben twee mogelijkheden. De veilige route.’ Ze wees naar het oosten. ‘Dan rijden, zeg maar, min of meer de route die jullie hebben genomen op de heenweg.’

‘En wat was daar zo veilig aan?’ lachte Tom. ‘Als je wist wat we daar allemaal tegen zijn gekomen…’

‘Dat weet ik echt wel,’ zei Yazhi zacht. Ze aarzelde even en wees toen recht naar beneden. ‘We kunnen ook de korte route nemen. Die is sneller en gaat dwars door het bos.’

‘Ik stem voor de kortste route,’ zei Tom resoluut.

‘Gevaarlijker dan die op de heenweg kan het haast niet zijn,’ viel Jay in. ‘Dat risico durf ik wel te nemen.’ Hij greep Natseelit bij zijn manen en draaide in de richting van de bosrand.

‘Het ís de snelste route,’ zei Yazhi, ‘maar…’

‘Maar wat?’ vroeg Jay.

‘Niks.’ Yazhi schudde haar hoofd. Ze wierp een gejaagde blik op de rotsen die ze uit het zicht van de hogan van De Zonnegod hielden.

Tom bestudeerde haar gezicht. Yazhi zag eruit alsof ze zich afvroeg of ze door moest gaan met haar verhaal, realiseerde hij zich. ‘Wat niks?’ vroeg hij dringend. Wat verborg ze voor hen?

‘Niks!’ zei Yazhi nog eens, nadrukkelijk nu. Te nadrukkelijk. ‘Het maakt niet uit. We kunnen gewoon kiezen tussen een lange en een korte route. Wat wil je?’

‘Ik wil zo snel mogelijk terug naar de bewoonde wereld,’ zei Tom. ‘En Jay heeft gelijk; gevaarlijker dan op de heenweg kan het niet worden. We nemen de korte route.’

Jay aarzelde niet. Met zijn hak schopte hij Natseelit in zijn zij en draafde naar de bosrand.

‘Niet zover naar links,’ zei Yazhi zacht. ‘Anders…’

‘Anders wat?’ vroeg Tom. Waarom wilde ze per se uit het zicht van Tsohanoai blijven? Van Yazhi’s gezicht was nog steeds twijfel te lezen, maar in haar ogen glansde een onverzettelijke blik. Hij zou niets uit haar krijgen, begreep hij, zo goed kende hij haar inmiddels. Hij knikte naar haar. ‘Kom op,’ zei hij geruststellend. ‘Het komt goed. We nemen gewoon de korte route.’

Tom klopte zijn paard in de hals om hem aan te zetten. Shah-bekloth schraapte ongedurig met zijn hoef over de rotsige grond, maar weigerde verder te stappen. ‘Go,’ maande Tom hem. Onwillig zette het paard zich in beweging en volgde Jay en Yazhi, die het bos inreden.

 

Tom boog de takken uiteen, precies op de plek waar hij Yazhi en Jay even daarvoor het bos in had zien verdwijnen. In de schemerduister van de dichte begroeiing kon hij nog net iets van een pad ontwaren. Verbaasd tuurde hij het smalle pad af. Waar waren Yazhi en Jay gebleven? Ingespannen luisterde hij en na korte tijd drong een vaag geritsel tot hem door. Waren ze dat? Hij stuurde Shah-bekloth verder het bos in.

Struiken en de takken van jonge boompjes die zich tussen de onwezenlijk hoge pijnbomen omhoog probeerden te werken, zwiepten langs zijn armen en benen. Wat een geluk dat hij de donkergrijze tuniek en de kniehoge mocassins, die hij van Tsohanoai had gekregen, had aangetrokken. Ze leken van een nog dichter materiaal gemaakt te zijn dan de hertenleren tuniek die ze van Yazhi hadden gekregen. De scherpe takken konden schuren wat ze wilden, maar zouden geen krasje op zijn armen of benen achterlaten.

Tom concentreerde zich op het pad. ‘Jay!’ riep hij. Een ongemakkelijk gevoel drong zich op. Wat was het hier vreemd. Net buiten het bos was het licht geweest. De ochtendzon had het landschap in een heldere gloed gezet, maar hier leek het wel nacht zo onnatuurlijk donker was het.

‘Wat is er?’ Het antwoord van Jay klonk zo helder dat hij vlakbij moest zijn.

Tom tuurde voor zich uit. Waarom zag hij Jay en Yazhi niet? Waar waren ze? Plotseling ontwaarde hij in de schemer de vage omtrek van Jay en Natseelit. Althans hij vermoedde dat de figuur voor hem Jay was, omdat hij zo dichtbij had geklonken en omdat hij na Yazhi het bos in was gereden, maar het kon net zo goed Yazhi zijn.

‘Ik kan je nauwelijks zien,’ zei Tom onzeker. ‘Zie jij mij wel?’

‘Natuurlijk zie ik je.’ In Jays stem klonk een spoor van ongeduld. ‘We staan vlak voor je, man!’

Tom wreef met de rug van zijn hand in zijn ogen. Het leek alsof er een donkere film voor zijn ogen dreef, alsof iemand een lap voor zijn ogen had gebonden waar hij nauwelijks doorheen kon kijken. Hij wreef nog een keer en opende zijn ogen weer, maar het beeld bleef vaag. Hij moest dichterbij zien te komen. Tom zette Shah-bekloth aan. Het paard stapte aarzelend verder.

‘Wat raar donker is het hier,’ zei Tom. Hij begreep niet waarom hij Waarom kon Jay hem nou wel zien? Ineens leek het alsof hij door de lap heenstapte. Op nog geen meter voor de neus van Shah-bekloth stond helder en scherp zichtbaar Natseelit. Met op zijn rug Jay, half omgedraaid en een verbaasde uitdrukking op zijn gezicht.

‘Wat was er nou?’ vroeg de jonge Diné.

‘Geen idee,’ mompelde Tom, ‘maar wel griezelig.’ Met zijn platte hand gaf hij Shah-bekloth een tikje in de hals en het paard stapte verder door totdat hij met zijn neus tegen de achterhand van Natseelit stond. Nu zag Tom ook Yazhi. Ze stond vlak voor Jay maar was al veel minder goed te zien. K’os diil hiil,  haar zwarte paard Donderwolk, was zelfs nauwelijks zichtbaar in het donker. Tom aarzelde. Yazhi en Jay leken zo verbaasd. Had hij wel goed opgelet? ‘Het leek wel alsof jullie verborgen waren achter een donker scherm,’ mompelde hij onzeker. ‘Pas toen ik heel dicht bij was zag ik Jays omtrek en nu, nu ik bijna tegen jullie aan sta, zie ik jullie duidelijk.’

Yazhi’s blik flitste onrustig van Jay naar Tom en weer terug.

‘Wat is er?’ vroeg Tom. Ze zag er nog steeds bezorgd uit, dreinde het in zijn hoofd.

‘Niks,’ antwoordde Yazhi snel, misschien wel iets te snel. ‘Laten we maar verder gaan. Hoe eerder we door het bos heen zijn, hoe beter.’

‘Yazhi, wat is er?’ Tom keek haar gebiedend aan. ‘Wat is er aan de hand. Waarom doe je zo geheimzinnig?’

‘Ik doe niet geheimzinnig,’ antwoordde Yazhi. ‘Ik… ik…’ Haar ogen flitsten nog eens zenuwachtig heen en weer. ‘Ik heb gewoon niet zo’n zin in dit donkere bos. In de zon was het lekkerder,’ zei ze uiteindelijk.

Het klonk als een lamme smoes, dacht Tom. Om de een of andere reden wilde Yazhi eigenlijk niet in dit bos zijn, maar ze had ze zelf op deze kortere route gewezen. Waarom had ze dat dan gedaan?

‘Dan gaan we toch terug,’ zei Jay. ‘Dan nemen we die andere route. Mij maakt het niet uit.’

Yazhi aarzelde zichtbaar, maar antwoordde niet.

Tom schudde zijn hoofd. ‘We moeten gewoon dicht bij elkaar blijven,’ zei hij. ‘Laten we maar verder gaan. Toch?’

‘Laten we maar gaan,’ zei ze zacht. ‘Zo zijn we het snelste beneden.’ Ze draaide zich om en spoorde K’os diil hiil aan.

‘Schiet op,’ zei Tom tegen Jay, die geen aanstalten maakte om verder te rijden en verbaasd van Tom naar Yazhi keek. ‘Anders raken we haar kwijt.’

‘Doe niet zo paniekerig. We raken haar echt niet kwijt. Trouwens waar zou ze heen moeten? Er is hier maar een pad.’

‘Wat jij wil,’ antwoordde Tom. Hij baalde van het ongemakkelijke gevoel dat het bos hem gaf en van het geheimzinnige gedoe van Yazhi, maar hij had ook geen zin in de langere rit langs de oostflank van de berg. Hij schopte Shah-bekloth in de flanken. Het paard stapte naar voren en duwde daarmee ook Natseelit aan.

Jay haalde zijn schouders op en draaide zich weer om. Zonder verder nog iets te zeggen reed hij achter Yazhi aan.

Tom deed zijn uiterste best om zo dicht mogelijk bij hem te blijven. Hij wist bijna zeker dat Yazhi wist dat er wat loos was, ook al deed ze van niet. Dat Jay het niet zag of voelde, maakte weinig verschil.

 

De zon kreeg maar heel af en toe de kans om door het bladerdak en de kruinen van de pijnbomen boven hen heen te komen. Dan schoot er een straal tot aan de grond en leek het of de bladeren die de straal raakte zo vlam konden vatten, maar op die enkele zonnestraal na bleef het koel en schemerig. Toms hand dwaalde onwillekeurig naar het buideltje dat hij van Begochiddy had gekregen en dat weer om zijn hals hing. Het voelde vertrouwd aan, net als de grote leren rugtas waarin de geschenken zaten die hij van Tsohanoai had gekregen. Het zachte hertenleren buideltje met de glanzende, haast parelmoeren steen straalde een geruststellende warmte uit. Het zou wel goed komen, wist hij onbewust.

Een misstap van Shah-bekloth onderbrak zijn gedachten. Hij moest niet zo dromen, vermaande hij zichzelf. Een steen in een buideltje kon natuurlijk geen garantie geven dat alles goed zou komen. Daar moest hij zelf ook wat voor doen. Opletten, bijvoorbeeld. Hij blikte naar Jay en Yazhi, die nog steeds vlak voor hem reden.

Het pad werd allengs steiler en soms leek het zelfs recht het ravijn in te lopen. Shah-bekloths hoeven schraapten aarzelend over de losse stenen op het pad. Het paard moest moeite doen om niet weg te glijden. Tom ging zover mogelijk achterover hangen. Zo had Shah-bekloth het minste last van zijn gewicht.

Zouden ze al ver gedaald zijn? Tom vroeg zich af hoe hoog in de bergen de nederzetting van Tsohanoai eigenlijk lag. Hij herinnerde zich de lange gangen in de grot van de Spinnenvrouw. Toen ze de grot met zijn donkere gangen verlaten hadden, was het nacht geweest en hadden niet kunnen zien hoe hoog ze al in de bergen zaten. Was de ijle lucht toen een aanwijzing geweest van de hoogte? Of was het alleen de drukkende sfeer van het naderende onweer geweest die het ademen moeilijk had gemaakt? Ze hadden in ieder geval nog een flink stuk moeten klimmen. Daarna was er in een angstaanjagend tempo zoveel gebeurd dat hij alle gevoel voor tijd en ruimte was kwijtgeraakt.

Ze zouden wel zien, besloot hij. Zo lang het pad daalde, gingen ze de goede kant op. Hij spoorde Shah-bekloth aan. Het paard brieste onwillig en spitste de oren. Tom was meteen op zijn hoede. Ingespannen luisterde hij. Wat had het paard gehoord? Het ruisen van bladeren bereikte zijn oren, alsof er een plotselinge stevige bries opstak, maar de bladeren van het struikgewas naast hem onveranderd bewegingloos naar beneden hingen. Met een lichte schok realiseerde Tom zich dat het leek alsof in het ruisen een naam doorklonk, Yazhi’s naam. Hij wilde Jay erop wijzen toen het geluid in de verte verdween. Onzeker bestudeerde hij de ruggen van Jay en Yazhi. Zouden zij het ook gehoord hebben? Of moest hij ze waarschuwen? Hij schudde de gedachte energiek van zich af. Zijn fantasie nam gewoon een loopje met hem. Hij moest geen spoken gaan zien. Natuurlijk ruiste het bos. Een bos ruiste altijd.

Eerste hoofdstuk uit De Zielensluiper

ISBN 978-90-475-0751-2

© Mina Witteman

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s