Leesfragment – De Zonnegod

1

Geërgerd keek Tom vanuit zijn kajak om naar het groepje dat dwars op de rivier onhandig lag te wezen. Het waren een paar nerds die hun peddel vasthielden alsof het een toetsenbord was en een stuk of wat onnozele meiden die bij ieder stroomversnellinkje alleen maar konden gillen, en die bij ieder spatje water zo hysterisch moesten lachen dat het leek of Daniel Radcliffe ze persoonlijk met zijn toverstaf nat kwam spetteren. De twee instructeurs deden hun uiterste best om de kajaks weer recht op de stroom te duwen en te voorkomen dat het groepje in een eddy terecht zou komen, een sterke draaikolk die naar een doodlopende arm in de rivier liep, en waar ze never nooit uit zouden komen zonder dat ze het water uit moesten en hun kajaks via de rotsen weer terug moesten sjouwen. Als ze dat al ooit zou lukken!

Tom vroeg zich voor de zoveelste keer af waarom Ester, zijn moeder, hem met deze sukkels had opgescheept. Ze moest een fotoreportage maken van de rode monolieten in Arizona en van het reservaat van de Navajo-indianen. Tom was zo blij geweest dat hij eindelijk een keer mee mocht. Het was de eerste keer dat hij het land bezocht waar zijn moeder geboren was. Want ook al had Ester het nooit over Amerika – ‘We wonen in Nederland, we horen hier thuis,’ beantwoordde ze steevast al zijn vragen – het land had hem altijd als een magneet aangetrokken. Hij volgde alles over Amerika op het nieuws, zocht voortdurend op internet naar spannende verhalen uit het land, en vaak had hij het gevoel dat hij meer daar thuishoorde dan in Nederland.

Ze waren geland in Phoenix en met een te gekke Trailblazer in één ruk naar het noorden van de staat gereden, waar zijn moeder een verrassing voor hem had. Zónder enig overleg had ze hem ingeschreven voor een vakantiekamp van drie weken. Hij was woedend geweest. Razend. Op die manier had hij net zo goed in Nederland kunnen blijven. Zo waren ze nog niet samen! De meisjes in de kajaks begonnen weer zenuwachtig te gillen. Ja, dit werd de ergste vakantie van zijn leven. Dat was duidelijk.

Het water trok ongeduldig aan zijn kajak. De stroom speelde met zijn peddel die hij tussen twee rotsblokken had gestoken om niet verder de rivier af te drijven.
Wat zou er gebeuren als hij losliet? Verlangend tuurde hij naar het witschuimende water in de verte. Niet voorbij de bocht, had een van de instructeurs hem toegebeten toen hij had gevraagd of hij alvast verder mocht. Na de bocht zouden er zware stroomversnellingen komen. Zware stroomversnellingen? Alsof hij nog nooit in een kajak had gezeten! Alsof hij niet al jaren iedere vakantie naar de Pyreneeën ging om te kajakken en raften!

Zonder nog één keer om te kijken trok Tom nijdig zijn peddel tussen de rotsblokken uit. Heel even, een fractie van een seconde maar, leek het water niet door te hebben dat het vrij spel had, toen schoot de kajak vooruit. Yes, juichte hij vanbinnen. Yes! Hoe hard zou hij kunnen? Met een schuin oog hield hij de oever in de gaten. De rotsen en struiken flitsten voorbij. Haastig concentreerde hij zich weer op de rivier voor hem. Hoe sneller hij ging, hoe sneller hij moest reageren, hoe sneller hij moest beslissen of hij een stroomversnelling links of rechts van de rotsen moest nemen. Hij trok de peddel met kracht door het water. De witte kajak sprong van enthousiasme bijna omhoog en vloog op de bocht in de rivier af. Heel even twijfelde Tom, maar het water had de beslissing al genomen en trok de kleine kajak verder.

Voor hem borrelde het water om en over rotsen die maar af en toe met hun onverzettelijke en scherpe koppen boven het water uitstaken. Hij moest nu voorzichtig zijn, kracht zetten met zijn peddel zodat hij de rotsen kon ontwijken, en zijn vaart niet minderen want dan werd het sturen alleen maar lastiger. Tom stak zijn peddel diep het water in, het blad schraapte even over de bodem en bleef toen op zijn plaats staan achter een paar grote stenen. Met een geroutineerd gebaar duwde hij de kajak om de peddel heen. Het bootje schampte langs de grootste rots, dook in dezelfde beweging tussen twee andere door en zwaaide ongeschonden de stroomversnelling uit.

Tom draaide de kajak en liet zich achteruit verder de rivier af drijven. De bocht in de rivier had hem het zicht op het groepje stuntels ontnomen. Des te beter! Nu had hij tenminste het gevoel dat hij kon doen wat híj wilde, dat hij niet afhankelijk was van de grillen van anderen. Hij grinnikte. De grillen van een rivier waren hem een stuk liever. Met een korte haal van zijn peddel zette hij resoluut de kajak weer stroomafwaarts. Het heldere water spatte in een vrolijke dans langs de kajak omhoog en koelde zijn bruinverbrande armen. De zon deed het water schitteren alsof er duizenden zilveren pixels over waren gestrooid. Tom kneep zijn ogen tot spleetjes. De brandende zon stond recht boven de diepe kloof die de rivier in eeuwen en eeuwen had uitgesleten. Zweet prikte op zijn hoofd onder zijn dikke blonde krullen, die weggestopt waren onder de verplichte helm.

Met een flinke slinger duwde de stroom hem een volgende bocht door. Wat hij toen zag, deed zijn adem stokken. Het relatief kalme water dat zich voor hem uitstrekte, veranderde binnen nog geen vijftig meter in een kolkende en schuimende massa om vervolgens volledig uit het zicht te verdwijnen. Met een oorverdovend kabaal sloeg het water stuk op de rotsen die overal uit de rivier omhoogstaken. Pijlsnel stak Tom zijn peddel in het water en probeerde af te remmen. Hij scande de razende stroomversnelling die het water in golven van wel twee meter opstuwde en waar hij griezelig snel op af stoof. Waar moest hij erin? Waar…

Verder kwam hij niet. Het water sleurde hem met donderend geraas verder. Hij kon niets anders meer dan peddelen. Peddelen alsof zijn leven ervan afhing! Het water beukte onder hem door, tilde de kajak hoog op om hem vervolgens met een klap weer naar beneden te smijten. Verbeten probeerde Tom controle over de kajak te krijgen, maar wat hij ook deed, het water was sterker. Zijn armen deden pijn van de onvermoeibare pogingen van het water om de peddel van hem af te pakken. De rotsen kwamen met een noodgang op hem af. Toms spieren brandden van inspanning. Hij zette zich met zijn voeten schrap tegen de zijkanten van de kajak en duwde de peddel zo ver mogelijk van zich af. De kajak boog nauwelijks af en schampte de rots met zijn achterkant om meteen op de volgende rots af te stevenen. Tom stak de peddel zo diep mogelijk in het water om zich tegen de bodem af te zetten, maar kreeg geen enkele grip. Verwoed trok hij de peddel door het water en net op tijd, centimeters voor hij vol op de rots te pletter zou slaan, draaide de punt van de kajak en trok het ziedende water hem om de rots heen. Onmiddellijk werd de kajak door een volgende golf omhoog gestuwd en daar, op de top van de golf, ving Tom een angstaanjagende glimp op van wat hem te wachten stond: er wás geen stroomversnelling, er wáren geen rotsen meer. Alles wat hij zag was één groot niets en dan tientallen meters verder in de diepte pas weer water. Een waterval, gierde het door zijn hoofd. Dit is een waterval! Een hoge!

Een waas van paniek trok voor Toms ogen, zijn armen weigerden dienst en de peddel hing nutteloos boven de woedende rivier, die hem genadeloos naar de rand van de waterval sleurde. Op het moment dat de punt van zijn kajak over de rand schoot, dook Tom ineen. Beschermend sloeg hij zijn armen om zijn hoofd. Even leek hij in het luchtledige te hangen, toen dook de kajak met de punt recht naar beneden. Na wat een eindeloze minuut leek, sloeg hij met een doffe klap op het water.

Water geselde Toms gezicht toen hij met kajak en al onder water werd getrokken. Zijn armen schaafden links en rechts langs scherpe rotsen. Het machtige water perste het laatste restje zuurstof uit zijn longen. Hij kon niet anders dan zijn mond opendoen en naar adem snakken. Maar in plaats van lucht kolkte er water zijn mond binnen, zijn neus binnen, zijn longen in. Tom had geen enkel idee meer wat boven was en wat onder. Het water trok en duwde aan hem en het voelde alsof zijn ogen uit hun kassen werden gezogen. Hij sloeg met zijn helm tegen de rotsen, zijn onbeschermde armen schuurden langs de ruwe steen.

Help, gilde hij in geluidloze angst. Help! Een brandende pijl leek door zijn hoofd te schieten en toen werd alles om hem heen zwart.

Eerste hoofdstuk uit De Zonnegod

ISBN 978-90-00-03756-8

© Mina Witteman

Advertenties

Een gedachte over “Leesfragment – De Zonnegod

  1. Pingback: Amsterdam view: Amsterdam on fire again? | Mina Witteman – a view from a writer's residence

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s