Leesfragment – De wraak van Deedee

Matthias

 

Deedee stak de laatste hap in haar mond. Ze kauwde en telde, telde en kauwde. Acht, negen, tien. Met een luide klok slikte ze de hap brood door.

‘Gadverdamme Dee, zit niet zo te schrokken,’ zei haar broer. ‘Je lijkt wel een hond.’

Deedee dook weg in haar stoel en probeerde zich zo onzichtbaar mogelijk te maken, maar de blik van Matthias was niet te ontwijken. Met een schuin oog naar de keuken maakte hij onhoorbare blafgeluiden, zijn handen als oren gevouwen achter zijn hoofd.

‘Je zit te vaak bij die hond van de buurman,’ zei hij. ‘Je verandert nog eens in zo’n beest.’

De melk kolkte in Deedees beker die ze ongeduldig over het gladde tafelzeil ronddraaide. Matthias was niet goed wijs. ‘Schei toch uit,’ zei ze.

‘Hoezo?’ Matthias keek haar met zijn bijna lichtgevende blauwe ogen onschuldig aan. ‘Je zit toch altijd bij die ouwe vent en die hond? Ik weet precies wanneer je daar geweest bent want dan stink je naar dat beest.’ Hij kneep demonstratief zijn neus dicht.

Geërgerd tikte Deedee met haar voet tegen haar stoelpoot. ‘Teddie stinkt niet.’

‘Hij stinkt wel,’ zei Matthias, ‘en hij is nog vals ook.’

‘Teddie is niet vals.’ Een boos balletje begon in haar hoofd te stuiteren. Waar haalde Matthias dat nou weer vandaan?

‘Hij is hartstikke vals. Ik liep gisteren gewoon over straat en toen beet hij me bijna in mijn been. Zo’n beest moesten ze…’ Matthias hield even zijn mond.

Woedend keek Deedee haar broer aan. Ze haatte hem als hij weer zo irritant zat te liegen. Ze haalde diep adem en probeerde haar woede de baas te blijven. Matthias was zelf een valse kwal.

‘…afmaken,’ eindigde Matthias zijn zin.

Met een helle lichtflits ontplofte het stuiterende balletje in Deedees hoofd. Woest sprong ze op. ‘Teddie is niet vals! Jij bent vals. Je treiterde hem met een stok!’

‘Hoe kun jij dat nou weten,’ zei Matthias, ‘je was er niet eens bij.’

‘Ik hoef er niet bij te zijn. Teddie heeft het me verteld.’

Matthias lachte hard. ‘Ja hoor! Ga je nou ook nog met die hond praten? Helemaal een reden om hem af te maken, lijkt me, als jij er knotsgek van wordt. Dat kunnen we er niet bij hebben.’

‘Ze moesten jou af…’

‘Jongens,’ klonk de stem van hun moeder uit de keuken, ‘schei eens uit.’

Deedee slikte de rest van haar zin in. Ze deed haar ogen dicht en probeerde Matthias buiten te sluiten. Het had geen zin om tegen hem in te gaan, zei ze tegen zichzelf. Hij bleef toch treiteren. En het had al helemaal geen zin om hem uit te leggen dat ze aan Teddies snoet kon zien of hij blij was of juist niet en dat ze precies begreep wat hij bedoelde als hij blafte, jankte of gromde. Matthias zou er niets van snappen. Hij was niet zoals zij, en zeker niet zoals oom Ton. Matthias luisterde alleen naar zichzelf, was alleen maar met zichzelf bezig. Als hij maar stoer kon doen en herrie kon trappen. En nooit, nooit liet hij haar met rust! Deedee kneep haar melkbeker bijna fijn. Waarom liet hij haar en Teddie niet met rust?

‘Ik snap niet dat ze dat beest niet allang weggehaald hebben,’ begon Matthias weer. ‘Die ouwe vent kan er niet eens meer voor zorgen. Honden worden vals als je ze niet strak houdt. Zo’n beest moet gewoon binnen blijven of aan de lijn.’

‘Teddie is geen beest. Hij is een dier. En oom Ton kan wél voor Teddie zorgen,’ siste ze.

‘Niet waar. Hij kan het beest, sorry, dier niet eens bij zich houden. Die hond loopt gewoon los over straat. Levensgevaarlijk. Ze moesten hem opsluiten in een asiel.’

‘Ze zouden jou moeten opsluiten in een asiel,’ riep Deedee. ‘Een border collie mag je niet aanlijnen of opsluiten, die moet kunnen rennen en racen. Als je hem vastzet, gaat hij dood van verdriet.’ De boosheid klopte tegen haar slapen. Teddie mocht niet weg! Teddie en oom Ton waren haar enige vrienden.

‘O, gaat hij dan dood van verdriet? Wat zielig,’ teemde Matthias. Hij deed net alsof hij tranen van zijn wangen veegde. ‘Opgeruimd staat netjes, zou ik zo zeggen.’

Woedend schopte Deedee haar stoel naar achteren en stormde de kamer uit. Met twee treden tegelijk stampte ze de trap op. Iedere stap die door het dikke donkergrijze tapijt werd gedempt, maakte haar nog razender. Stomme Matthias, stomme, leugenachtige Matthias, dreunde het door haar hoofd. Ze vloog haar kamer binnen, greep de deur en knalde die zo hard als ze kon dicht. De klap trilde na in de lucht en deed het grote raam aan de andere kant van haar kamer rinkelen in zijn sponning.

‘Dee,’ riep haar moeder haar na, ‘doe nou toch rustig, schat.’

‘Ja, ja, ja,’ mopperde ze. Binnen de beschermende muren van haar kamer zakte haar woede snel. De rode waas voor haar ogen verdween en ze haalde diep adem. Wat een gemene klier was Matthias. Ze zakte moedeloos op haar bed. Waarom liet ze zich toch iedere keer weer door hem opjutten? Hij leek wel een bloedzuiger die zijn scherpe kaken in haar huid zette. Hij zoog en zoog en zoog tot ze geen grammetje geduld meer over had. En als ze dan kwaad werd, had zij het gedaan.

Ze liet zich achterovervallen in het zachte kussen en greep Mooie Hond, haar oude knuffel. Ontelbare tuimelingen in de wasmachine hadden zijn glazen ogen stuk getikt. Het zachte pluche, ooit een bruinwit velletje, had ze glad en grijs geknuffeld. Ze aaide het dier over zijn lange troostende oren. ‘Had Matthias maar gelijk, Mooie Hond. Veranderde ik maar echt in een dier.’

De hond keek haar met zijn gebarsten ogen begrijpend aan. Zachtjes streek zijn oor langs haar wang.

‘Dieren zijn in ieder geval liever dan mensen. Dieren kun je tenminste vertrouwen,’ zuchtte ze.

Mooie Hond kroop stil in het holletje tussen haar nek en haar schouder.

Voorzichtig zette ze hem weer op zijn plekje naast haar hoofdkussen. Ze sprong van haar bed en liep naar het raam. Via de radiator klom ze op de brede vensterbank en wipte het haakje omhoog. Ze gooide het raam wijd open. Met haar vingers om de bovenrand geklemd en haar voeten stevig in de hoeken van het kozijn geschoven, balanceerde ze in het open raam. De warme zomerlucht stroomde naar binnen en streek langs haar armen en benen. Ze rekte zich wat verder uit en keek naar het huis rechts van hun eigen huis. Was oom Ton al thuis? Ze keek naar zijn keukendeur, maar die was dicht en alle ramen waren gesloten. Ze draaide zich om en zag op het kleine wekkertje naast haar bed dat het pas half twee was. Dan moest oom Ton nog in het ziekenhuis zijn. Hij zou pas aan het einde van de middag terugkomen, had hij gezegd.

Deedee liet zich in de vensterbank zakken. Ze leunde achterover tegen het kozijn en liet haar ene been vrij buiten bungelen. Op het tingelen van een verre tuinsproeier na had de warmte alle geluiden opgezogen. Alsof de zon het leven had stilgelegd. Op de rand van de schuur in de schaduw van de kersenboom zat een rij mussen dik te puffen. Met hun veertjes wijduit leken het pluizige pomponnetjes op een warme wintermuts. Zelfs de rijpe kersen voor hun neus konden hen niet verleiden tot bewegen.

Achter in de tuin staken de lange pluimen van de vlinderstruiken als heldere bloemen uit groene vazen. De witte en paarse pluimen waren versierd met vlinders in alle kleuren. Vanaf haar hoge uitkijkpost herkende ze helgele citroenvlinders, maar ook tere koolwitjes en donkeroranje vosjes. Onbeweeglijk, de vleugels wijd opengevouwen, vingen ze de zonnestralen op. Alleen de onvermoeibare boomblauwtjes fladderden van pluim naar pluim.

Deedee sloot haar ogen.

 

Een scherpe tik tegen haar knie wekte haar. Onwillekeurig trok ze haar been op. De tik had een kleverige donkerrode vlek op haar knie achtergelaten. Ze keek de tuin in, maar er was niets te zien, alles leek loom en stil onder een warme deken te liggen. Ze speurde de helblauwe lucht boven haar af. Was het een vogel geweest, die na het eten van een smakelijke kers de pit uit zijn bek had laten vallen? Zat er een duif op het dak? Ze boog verder naar buiten en inspecteerde de dakgoot vlak boven haar raam, maar die was leeg.

Ze schoof weer naar achteren tegen het kozijn, keerde haar gezicht naar de zon en wilde haar ogen weer sluiten. Een onbehaaglijk gevoel hield haar tegen, alsof er een ijsdruppeltje langs haar rug naar beneden rolde. Iemand begluurde haar. Ze liet haar blik weer over de tuin glijden. Het was er nog steeds stil. Te stil, eigenlijk. Ze probeerde door de dichtbegroeide struiken te kijken. Plotseling haakte haar blik aan de struiken naast de schuur. Vlak bij de hoek staken twee kleine witte rondjes door het groen, als de loerende ogen van een kat in het donker.

Deedee sloot haar ogen weer. Natuurlijk! Ze had het kunnen weten. Maar ze zou niet reageren, deze keer niet. Nog geen tel later vloog de volgende kersenpit tegen haar been. En nog een, en nog een.

‘Schei uit, Matthias,’ riep ze.

De stilte schoot de tuin uit. De mussen fladderden verschrikt op, de vlinders vlogen weg.

‘Van onderen!’ schreeuwde Matthias en een spervuur van kersenpitten vloog Deedees kamer binnen. Lachend kwamen Matthias en zijn vriend Peter uit de struiken gekropen. In hun handen twee elektriciteitsbuizen, hun gezichten en handen rood van de kersen.

‘Voltreffertjes, Peter,’ lachte Matthias.

‘Rot op!’ riep Deedee terwijl ze haar kamer in sprong. Meteen maande ze zichzelf tot kalmte. Rustig! Rustig, zo leek ze wel een flesje cola. Matthias hoefde er maar mee te schudden en de boosheid spoot eruit. Niet reageren! Als ze niet zou reageren, hield hij vanzelf wel weer op.

‘Moet je niet gaan elastieken?’ vroeg Matthias. Gierend van de lach sloeg hij Peter op de schouders. ‘Alsof normale meiden met zo’n mafketel zouden willen elastieken. Wist je dat ze tegenwoordig met dieren praat? Zal ze wel van die rare vent van hiernaast hebben geleerd.’

‘Ja hoor,’ kaatste ze terug,’ wat zijn we weer leuk.’

Matthias boog zich naar Peter en begon druk in zijn oor te fluisteren. Peter keek af en toe naar Deedee terwijl Matthias achter zijn hand verder praatte.

Ze spitste haar oren. Wat zat hij nu weer te bekonkelen? Wat het ook was, ze zou zich niet meer door hem zou laten opjutten. Ze kroop weer in de vensterbank en trok haar knieën op. Met haar armen beschermend om haar benen en haar kin op haar knieën, keek ze naar Matthias. Wat het ook was, ze zou er niet op ingaan. Ze zou hem gewoon laten kletsen. Demonstratief deed ze haar ogen dicht en keerde haar gezicht weer naar de zon. Gewoon negeren, volkomen negeren, dat was het beste.

Maar de zon werkte niet mee. Ze gloeide op haar hoofd, leek door haar haren en haar schedel heen te willen dringen en verhitte haar hersenen. Onwillekeurig gluurde ze door haar wimpers naar de twee fluisterende jongens. Peter stond ijverig te knikken toen Matthias hem naar voren duwde. Vlak onder haar raam bleef hij staan en keek naar haar op.

‘Vraag jij het maar,’ zei Matthias. ‘Tegen mij durft ze toch niet.’

Deedees vel trok strakker om haar lijf. Wat zou ze niet durven? Met haar nagels kneep ze in haar armen. Wat zat hij nou weer te zeuren? Ze durfde meer dan die twee pestkoppen bij elkaar.

‘Uh, Dee,’ begon Peter. Lang en slungelig stond hij daar. Moeizaam zocht hij naar woorden.

Eigenlijk viel Peter best mee, dacht ze terwijl ze hem bekeek. Soms had ze het idee dat ze best vrienden zouden kunnen worden. Maar altijd als ze met hem stond te praten kwam Matthias er weer met zijn grote klep tussen en claimde hem. Nu Peter daar onder aan haar raam stond te stuntelen zag hij er best aardig uit, een beetje zielig zelfs. Hij had het niet leuk thuis. Zijn vader was de baas van de kazerne verderop en waanzinnig streng.

‘Wat?’ vroeg ze kortaf. Ze was niet vergeten dat hij haar iets vroeg in opdracht van Matthias. Hoe aardig hij ook was, ze zou het hem niet makkelijker maken.

‘Wil je… Zou je…’

‘Ach joh, laat maar,’ onderbrak Matthias hem. Hij draaide zich om en trok Peter aan zijn arm mee naar de zijkant van het huis. ‘Ze durft toch niet,’ zei hij vlak voor ze de hoek om gingen.

‘Wat durf ik niet?’ Deedee klapte haar mond dicht, maar het was al te laat.

Peter draaide zich om en liep terug naar haar raam. ‘We gaan naar de stormbaan,’ zei hij, ‘wedstrijdje doen. Ga je mee?’

‘Laat maar,’ riep Matthias. ‘Ze kan toch niet van ons winnen. Je hebt helemaal niks aan meiden. Laat haar maar lekker binnen zitten. Kan ze fijn punniken of weet ik veel wat voor meidengedoe.’

Deedee schoot overeind. ‘Wat nou punniken? Ik loop je er hartstikke uit!’

Matthias lachte, hard en schel. ‘Yeah, sure,’ zei hij smalend. ‘Watje.’

In een oogwenk stond ze in het raamkozijn. Ze klemde haar handen om de tak van de oude perzikenboom naast haar raam en zette af. Lenig sprong ze van de vensterbank over naar de boom, en een tel later landde ze zacht als een kat in het gras.

‘Je bent zelf een watje,’ hijgde ze toen ze vlak voor haar broer stond. ‘Ik versla je zo.’

Ze drukte het valse lachje van Matthias weg en negeerde het belletje dat waarschuwend in haar achterhoofd rinkelde. Ze zou ze er bij de eerste hindernis al uitlopen. Ze wist het zeker.

 

Eerste hoofdstuk uit De wraak van Deedee

ISBN 978-90-00-03652-6

© Mina Witteman

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s